Marguerite | de teksten
[ 01
petite chanson
| 02
buffet de la gare
| 03
nu brutal
| 04
fanfare (la tempête)
| 05
je voudrais vivre
| 06
la même vieille suzie
| 07
pies
| 08
autoroute
| 09
marguerite
| 10
cucurucucu
| 11
les deux frères (chanson comique)
| 12
vue de lune ]
[
volgend nummer ]
› petite chanson
j'ai oublié de construire une maison
où ton absence peut errer
où, quand tu te pointeras, je ne serai pas là
où les heures s'écoulent en une lente pluie
quand j'ai commencé à douter,
j'ai vu un frémissement dans ton âme
est-ce de l'amour, de la douleur ou le reflet de la pluie
comment te sens-tu, toi
quand tu es toujours si loin de moi
quand tu veilles sur les jours qui s'égrènent
dans le sable j'écris des poèmes livides
dans lesquels j'effleure ton corps que je chéris
dans lesquelles j'embrasse tes pensées
est-ce de l'amour, de la douleur ou le reflet de la pluie
à l'aube, un oiseau de nuit prend son envol
qui a des années durant déposé mes roses
comme tu vois, ma petite femme diaphane,
si nous avions été des oiseaux...
qui aurait été le ciel qui nous aurait protégé
soyons absents, soyons ensembles
pour ne pas devoir errer seul
est-ce de l'amour, de la douleur ou le reflet de la pluie
[nl]
klein lied van verlangen
ik vergat een huis te bouwen
waar je afwezigheid kan zwerven
en als je binnenkomt ben ik er niet
de uren vallen als trage regen
wanneer ik begon te twijfelen
zag ik het meer in je borst
is het liefde, pijn of de waterspiegel van de regen
hoe voel jij je
wanneer je tíjden ver weg bent van hier
als jij waakt over de dagen die voorbijgaan
schrijf ik in zand witte gedichten
in dewelke ik je lief lichaam raak
en je gedachten van binnen kus
is het liefde, pijn of de waterspiegel van de regen
een nachtvogel vliegt 's ochtends op
en door de jaren heen, legt een rozenkrans neer
zoals je ziet mijn transparante vrouw
wanneer we vogels zouden zijn...
wie zou onze beschermende hemel zijn
laat ons samen afwezig zijn
zodat we niet alleen moeten zwerven
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› buffet de la gare
derrière mon dos, un couple s'est attablé
nulle part l'odeur ne traîne déjà
une odeur sacrée d'hier et des averses transparentes
d'une dimanche après-midi à l'heure trois
un garçon flâne dans une ample robe noire, un diable
chantant des formules de boissons et de chimie
j'entends ici ; pourquoi
je ne sais plus dans ce musée de héros vaincus
frivole et contrôlée une dame âgée glisse
de la porte vers la petite table
elle tourne sur sa chaise, chipote un carton
en souriant incessamment à son genièvre
des voyageurs arrivent, le café m'ouvre la tête
la radio divague du rock et des voix
un musée d'abattement
où nous ajustons incessamment le monde
ici on réunit enfin aux tables gémissantes
racontant de nouveaux mythes et vielles légendes
le destin du monde aux mains moites
déposant la cendre dont on parlait avant l'incendie
ici c'est un marché de bruits, d'odeurs de corps en sueur
les poids lourds, les solitaires,
les touristes à sac à dos et ivrognes taciturnes
déposant la cendre dont on parlait avant l'incendie
il ne manque rien aux yeux de la métisse exotique
il manque autre chose à son amour
elle lit dans les étoiles de ses ongles
trop chaud, trop froid, trop bizarre, tellement bizarre
et l'homme à mes côtés signe des papiers officiels
il a oublié le chagrin, analphabète en émotions
une lente main cachant toute une vie
et chaque nuit à côté d'une femme qu'il n'aime plus
une gare où tout commence et rien ne se finit
un buffet et un chef de gare,
un parterre aux petits arbres
pigeons et fleurs en plastic.
la vie claire et compréhensible
[nl]
stationsbuffet 'le bistro'
achter m'n rug is een koppel neergestreken
nergens nog hangt een geur
een heilige gewijde geur van gisteren
en doorzichtige regenbuien op zondagmiddag 15.00h.
een kelner flaneert in wijd zwart japon, een duivel
zingt formules van drank en chemie
wacht ik hier op het uur u
ik weet het niet, een museum van verslagen helden
frivool en beheerst schuift een oudere dame
van de deur naar het tafeltje
op haar stoel draaiend, met een bierviltje
spelen en eindeloos glimlachend naar de jenever
reizigers komen aan, de koffie opent m'n hoofd
de radio raaskalt rock en stemmen
een museum van verslagenheid
waar we eindeloos de wereld herschikken
hier wordt eindelijk vergaderd aan tafels die klagen
nieuwe mythen en oude sagen doorverteld
het lot van de wereld in klamme handen
die de as neerleggen nog voor er sprake was van brand
het is hier een markt van geluiden, bezwete lichaamsgeuren
de zwaargewichten, de eenzamen,
rugzaktoeristen en stille drinkers
die de as neerleggen nog voor er sprake was van brand
de man naast mij tekent officiële papieren
een naam die hij kreeg van papa
met de instemmende glimlach van mama in bed
toen hij lief en naakt en blatend als een schaap kind was
hij is het verdriet vergeten, analfabeet in emoties
een trage hand die een heel leven verbergt
mislukkingen, carrière, wraatzucht
en elke nacht naast een vrouw die hij niet liefheeft
er is iets mis met de ogen van de exotische halfbloedvrouw
er is iets anders mis met haar liefde
ze leest de sterren in haar nagels
te warm, te koud, te stil, te ijzig, te bizar, zo bizar
in m'n kop dreunt een melodie, teksten schuiven voorbij
mensen dragen mensen op hun schouders
in hun machteloze hand een hele oorlog
de enigen met hart en zwerende scheurende voeten
een station waar alles begint en niets eindigt
een buffet en een stationchef,
een perk met kleine bomen
duiven en plastic bloemen.
het leven overzichtelijk en begrijpelijk
bondig en zonder angsten,
de wereld is er nog niet zo slecht aan toe.
de ruiter aan de muur, even blind als zijn paarden
even doof als de grijzende man
die alleen met zichzelf discussieert
telkens wint, gelijk heeft, fier in m'n richting kijkt
bussen rijden af en aan, eindeloze uren vrouwen
met sigaren, mannen met buggy's
de hele wereld lijkt hier afspraak te hebben
op een roemloos uur in deze voormiddag
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› nu brutal
je me souviens de l'éclat de ton corps
tes yeux fermés comme si tu dormais
ma main reposait sur ta poitrine en cercles
tu m'as réduit au silence m'as fait taire
je me souviens du silence de ton visage
tes cheveux dans le vent comme une tempête agaçante de sable
ici comme nulle part je n'ai honte de moi
des étangs d'histoires incomprises et coulées
ton silence plus bruyant que la prose du vide
nos jours ne comptent que quatre heures
nous sommes sans naissance, sans contrat
il n'y a rien qui m'attache à toi
il n'y a aucune raison pour laquelle je t'aime
mais je meurs à l'idée de ta mort
il devient tard maintenant et vers minuit
les odeurs de ton parfum comme un carré
une accusation de ce que nous faisons
c'est comme brel disait le délire complet de cette époque
sur le fond de mon cerveau il y a des sirènes
des poneys sur des plages noires
plus que je suis à toi, le plus éloigné tu me sembles
(je creuse en toi et) je te rencontre de plus en plus inconnu
j'allume le flambeau et j'éclaircis la galaxie
l'embuscade du feu, la pluie blanche
platonique dans mon chagrin, empathique dans le vide
tu te couches dans ma peau comme un chevalier dans un mythe
tes lèvres sur mes paroles comme la pluie en automne
[nl]
brutaal naakt
ik herinner me de glans van je huid
je ogen gesloten alsof je sliep
m'n hand lag op jouw borst in cirkels
je legde me op het zwijgen het zwijgen op
met lippen op m'n woorden als zwammen in de herfst
ik herinner me de stilte uit je gezicht
je haren los als een tartende zandstorm
ik ben hier en nergens beschaamd om mezelf
vijvers van onbegrepen verzonken verhalen
je zwijgen is luider dan het proza van de leegte
op m'n hersenstam zitten zeemeerminnen
pony's over zwarte stranden
hoe meer ik aan je ben hoe verder je lijkt
ik graaf in jou en kom je steeds vreemder tegen
onze dagen tellen slechts vier uren
we zijn zonder geboorte, zonder contract
er is niets dat me aan je bindt
er is geen enkele reden waarom ik je bemin
maar ik ga dood bij de gedachte aan je dood
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› fanfare
le doux parfum des mûriers à travers la fenêtre ouverte
la chambre des soeurs face au jardin
il fait trop chaud pour octobre qui se déploie
comme une couverture sur les jambes, un oreiller pour la tête
je me suis revêtu et le sac à dos est lourd à porter
les arbres connaissent leur puissance comme ils pleurent
cette danse épuisante de reliques et de danseuses
sur la place au-dessous de la tour retenante
elle ouvre la porte, elle a mis la table
les couverts d'argent et les assiettes de son sourire
il y a du pain et des boissons, du lait et du jus de fruit sucré
et la cressonnette d'hier fleurit à nouveau
et tous les jours à nouveau je me réveille à l'aube
comme une déesse aux moutons, une déesse de nuages :
nous sommes à la fuite et grimpons par-dessus les écueils
la longue marche à travers la forêt et le désert
nous poursuivons, les livres reliés les cahiers sans crayons
il y a le dieu de l'intimité et l'autre de la muse
la balançoire de l'oubli et celui qui se cache dans notre blancheur
les adolescents dans leurs diamants comme un paris au printemps
la lumière du jour aux gares : bourdonnant comme un atlas
depuis longtemps j'ai assez de cette nostalgie maudite
et du chagrin pour la mort qui me semble boiteuse
et toi là-bas, t'es un trésor de malchance
je nage dans tes yeux, la plongée sous-marine sans costume
je cueillis les rêves de tes lèvres, glisse au-dessous de tes aisselles
nous avons entendu et personne ne s'est échappée
et maintenant nous cherchons notre naissance dans des vieilles cavernes
[nl]
fanfare van de storm
de zoete geur van bramen door het open raam
de kamer van de zussen met uitzicht op de tuin
het is te warm voor oktober dat zich uitstrekt
als een deken over benen, een kussen voor het hoofd
mezelf omgord en de rugzak is zwaar om dragen
de bomen kennen hun macht zoals ze treuren
die uitputtende dans van relikwieën en danseressen
op het plein onder de toren die galmt
ze opent de deur, ze heeft de tafel gedekt
het zilver bestek en de borden met haar glimlach
er is brood en drank, melk en zoet vruchtensap
en de pinksterbloemen van gisteren bloeien terug
en elke dag ontwaak ik in het schemerlicht van een ochtend
als een godin met schaapjes en wolken: we
zijn op de vlucht en klauteren over de klippen
de lange mars door het bos en de woestijn
we gaan verder, de boeken samengebonden de schriften zonder potloden
de god van de gezelligheid en de andere van de muze
de schommel van de vergetelheid en hij die zich verstopt in onze blankheid
de pubers in hun diamanten als een parijs in de lente
het zonlicht in de stations: zoemend als een atlas
genoeg van die verdomde melancholie
en het verdriet om de dood die kreupel kijkt
en jij daar, je bent een schatje vol ongeluk
ik zwem in je ogen, diepzeeduiken zonder pak
ik pluk de dromen van je lippen, glij in je oksel
we hebben gewacht en niemand is ontkomen
en nu zoeken we onze geboorte in oude grotten
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› je voudrais vivre
je voudrais vivre dans ton corps et voir comment ton
corps se plie et prend forme dans les coins morts
d'un contour blanc où elle existe,
elle que j'appelle toi et gentille et unique
et toujours voir quand toi sans nom
tu salues tout mes prénoms, tous mes horizons
je voudrais réveiller les papillons à l'intérieur,
te ranimer aux baisers, aliénée dans ton tendre geste
de rien et coupable de tout
mais quand la porte se ferme à clé et ta voiture
disparaît au coin de la rue, où suis-je, je vais neiger, et
patiner dans ce vide gelé
mais pourtant, mon amour, je te jure que t'es si jolie:
la blancheur de ton péché les couleurs rouges
tragiques de ta peau et poitrine en fleurs
je voudrais découper les ténèbres et brûler
des bottes de désir bleu dans tes yeux
tes reins, les allures de princesses dans ton âme,
les chevaux qui pleurent aux carrosses déserts,
les mouettes qui se brisent en volant,
l'air circule et se tourne et chaque fois j'entends ton nom
je voudrais que tu me donne confiance, tu peux me laver les visages
tu peux dormir comme un rossignol
et des saules qui attendent, que personne ne te caresse :
j'ai mal, douleurs de mourir douleurs de croissance douleurs de l'enfantement
une angoisse rugueuse m'enserre,
viens ici et ranges-moi bien
mais pourtant, mon amour, je te jure que t'es si jolie:
la blancheur de ton péché les couleurs rouges
tragiques de ta peau et poitrine en fleurs
il est impossible que tu te couches nue dans la nuit,
où le pain attend et plus tard le vin et le sofa,
sans lois ou explications,
sans chartes, ni guerre ou découvertes,
seulement ton parcheminétude, les coins morts de ton
ensemble d'âme et corps beau à l'infini
[nl]
ik wou in je lichaam wonen
ik wou in je lichaam wonen en zien hoe je
lijf zich plooit en vormt in de blinde hoeken
van een witte omtrek waarbinnen zij bestaat
die ik jij noem en lief en enig en altijd
zien wanneer je zonder naam naar de verten
wuift en schuift verder weg
en praten, de vlinders binnenin wekken,
je tot leven kussen, vervreemd in je teder gebaar
van niets en alles van schuld en altijd afwezig,
maar als de deur in het slot valt en je auto de
straat uitrijd, waar ben ik, ik ga sneeuwen, en
schaatsen in deze bevroren leegt
tot ik kom en jij zeg en lief, om de
blankheid van je zonde de tragische rode
kleuren van bloemende huid en borsten
ik wou de duisternis verknippen en bundels
van blauw verlangen in je ogen branden
je lendenen, de gang van de prinsessen in je ziel,
de schreiende paarden met verlaten koetsen,
de meeuwen die zichzelf te pletter vliegen,
de lucht cirkelt en keert en telkens jouw naam
je moet mij nog moed inspreken, m'n gezichten wassen
en aan mij zijn, slapen als nachtegaal
en wachtende wilgen, laat niemand je strelen,
ik heb pijn stervenspijn groeipijn barensweeën
een ruige angst omknelt me, kom hier
leg me goed in volgorde
het kan niet dat je naakt de nacht inligt,
waarbij het brood wacht en later de wijn en de zetel,
geen wetten of verklaringen, geen oorkondes,
noch oorlogen of ontdekkingen, enkel jouw
perkamentenheid, de blinde hoeken van je
oneindig mooi geheel van ziel en lijf
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› la même vieille suzie
tu pourrais penser qu'une nuit dans un hôtel bleu
changera ta vie
tu dors dans des draps de satin et tu es réveillée
par une frappe à la porte
de celle qui te sert le petit déjeuner
tu pourrais penser que le château pétrus au repas
changera ta vie
tu parles avec des gens qui ont l'air important
tu ris et tu trinques le verre fin à la main
à la santé de tous
mais quand tu te réveilles, la pluie est tout aussi froide
le chagrin de l'âge est réel
quand tu te réveilles, l'hiver dure longtemps
il faut que tu ailles au boulot, que tu travailles
quand tu te réveilles, rien n'a changé, la mauvaise haleine,
tu sens au-dessous de tes bras, t'es toujours la même vieille suzie
tu pourrais penser que la veste sur ton dos frêle
ne coûtera jamais assez
les sous-vêtements de c. klein, le jeans d'italie
le parfum de dior et la jeep noire
t'as vraiment de la chance
t'es sure qu'elle n'est pas comme tout les autres femmes
ta vie changera
tu t'endors avec les traces et les empreintes
de la plus belle femme dans ta peau
son goût sur tes lèvres
t'as bien vécu, un mariage, une voiture
une maison pour maintenant, des enfants pour plus tard,
une religion pour l'au-delà,
sage au boulot, des vacances dans le midi
saint-pierre t'attend
[nl]
dezelfde oude suzie
je zou denken dat een nacht in een blauw hotel
je leven zou veranderen
je slaapt in satijnen lakens en wordt wakker
door de klop op de deur van zij
die ontbijt brengt
je zou denken dat de chateau petrus bij het maal
je leven zou veranderen
je praat met hen die belangrijk blijken
je lacht en klinkt met de fijne glazen
op ieders gezondheid
je zou denken dat de jas om je frêle schouders
niet duur genoeg kan zijn
het ondergoed van C. Klein, de jeans uit Italië
het parfum van Dior en een zwarte bmw jeep
je hebt het geluk
je bent zeker dat zij anders is dan de anderen
je leven zal veranderen
je slaapt in met in je huid de voetsporen
en afdrukken van de mooiste vrouw
haar smaak op de lippen
maar als je wakker wordt, is de regen even koud
de pijn van het ouder worden is reëel
als je wakker wordt duurt de winter lang
je moet naar het werk, je moet presteren
als je wakker wordt is niks veranderd, je adem stinkt
je oksel geurt, je bent steeds dezelfde oude suzie
je hebt goed geleefd, een huwelijk, een auto
een huis voor nu, kinderen voor later,
een geloof voor hierna,
deugdzaam op het werk, vakantie in het zuiden
sint pieter wacht op jou
je hebt je keurig verzet tegen geweld en onrecht
met enkel een beetje haat voor joden en homo's
neen aan alleenstaande vrouwen, anarchisten
de bedelaars, zigeuners en islamieten
keurig in je haat
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› pies
une corneille d'automne vole sur juin
des coups d'ailes aux convulsions grises qui
se posent calmement sur le toit élevé
pendant des heures longues je t'ai cherché
j'ai vu des crevasses les niches et les creux derrière tes mots,
des couches épaisses de poussière et de pierraille résolues,
j'ai soupçonné des fresques, des sites boisés
des silhouettes floues dans les rêves bloqués dans leurs silences,
dans les pas lents des âges
les rêves sont tombés, les rêves se sont enfuit en toutes directions
je cherchais l'amant, je cherchais l'amour, je cherchais peut-être un ange
à une heure indécente de ton sourire
les couches de pierres ne sont parfois pas à gratter
seulement les bruits enroués au fond de ma gorge
toute une vie nous avons perdu cette bataille
je crie et ce qui m'entend se retourne
les nomades dans ta bouche calcifiée murmurent
où peut-on aller pour ne plus être tout seul
je bats maman, je te sens crier
je t'entends et jamais je ne t'ai vu passé
filles d'or pleines de grimaces et de douleurs
[nl]
eksters
een kraai uit de herfst vliegt over juni
vleugelslagen in grauwe spasmen die
rustig neerstrijken op het hoge dak
dagenlange uren heb ik je gezocht
ik zag barsten, de nissen en holten achter je woorden,
de kalk bleef soms zitten, stevig in haar droogte
ik vermoedde fresco's, beboste sites
vage silhouetten in diepe dromen geblokkeerd in hun stiltes,
in de langzame tred van de leeftijden
vielen de dromen uiteen, naar alle kanten gevlucht
ik zocht een geliefde, de nacht, de liefde, een engel misschien
in een onbetamelijk uur van je glimlach
de lagen steen zijn soms niet weg te schrapen
enkel de hese geluiden achter m'n keel
een heel leven lang verloren we dit gevecht,
ik roep en wie luistert keert zich om
de nomaden in je verkalkte mond murmelen
waar moet men heen om niet alleen te zijn
ik sla mama, ik voel je roepen
ik hoor je en nooit zag ik je voorbijgaan
gouden meisje vol grimas en pijnen
ik kom, mama, uit een woestijn
van heel ver en van heel dichtbij
pas op voor de vlammen en de eenzaamheid
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› autoroute
il n'a pas de bon cerveau pour
penser et réfléchir
il n'avait pas la bonne tête sur les épaules
n'a pas choisi cet ange à ses côtés
à l'instant même où il a perdu son cordon ombilical
il a aussi perdu toute son intelligence
personne ne sut ce qu'il venait chercher sur terre
à l'exception des yeux gris de son vieux chien
il haïssait sa naissance, l'odeur de sa mère,
la joie de son père, les voeux de tout un chacun
il n'a jamais touché une femme car son mal
l'étranglait, et pour lui c'était ça la vie
il songea comme un prêtre sur le ciel et l'enfer
sur la routine ennuyeuse de sa vie
ce qui manque dans ses os, une feuille d'automne,
sa raison que sept fois sept fut toujours quarante-cinq
il fut à la recherche toutes les heures de chaque jour
l'autoroute 91 doit se trouver quelque part
le petit déjeuner quotidien, le dîner de chaque soir,
où se trouve la sortie pour l'autoroute 91
la question n'est pas comment tu joues le jeu, mais où tu le joues
la question n'est pas si tu perds ta honte, c'est comment tu la portes
et nous plaçons nos sous pour quand il pleut
plus tard pour une ville où le bourgeois vainc et règne
un sentiment de richesse, tout le monde un héros,
surtout quand tout va mal et rien n'a plus de sens
[nl]
afrit 91
hij heeft de goede hersenen niet
om te denken en te reflecteren
hij had niet het juiste hoofd op z'n schouders
heeft niet die engel aan zijn zijde gekozen
op hetzelfde ogenblik als waarop hij zijn navelstreng verliest
verliest hij ook al zijn intelligentie
niemand wist wat hij juist deed op aarde
enkel de grijze ogen van zijn oude hond
hij haatte zijn geboorte, de geur van zijn moeder,
de vreugde van z'n vader, de wensen van elkeen
hij heeft nooit een vrouw aangeraakt want z'n pijn
wurgde hem, en voor hem was dat leven
hij dacht als een priester over hemel en hel
over de vervelende routine van z'n leven
hetgeen in zijn gebeente ontbreekt, een herfstblad,
zijn gelijk van zeven keer zeven was altijd vijfenveertig
hij was zoekende elke dag elk uur
ergens moest toch die snelweg 91 zijn
het-iedere-dag-ontbijt, het-iedere-avond-diner,
waar is de afrit voor snelweg 91
het is niet hoe je het spel speelt: het is waar je het speelt
het is niet of je de schaamte verliest, het is hoe je ze draagt
en wij verzekeren onze centjes voor als het regent
later voor een stad waar de burger overwint en regeert
een gevoel van rijkdom, iedereen is een held,
zeker wanneer het slecht gaat en niets zinvol is
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› marguerite
papotant intensément à une table à la fenêtre
chargés de problèmes qui n'existent plus
les doutes mathématiques du temps
la tasse de café qui écoute
leurs murmures dans cette cathédrale
d'attente, de discussion, de méditation, de doutes, marguerite
la chaleur délit les histoires d'amour
et la musique grise rend la tête molle
dans ce naufrage perpétuel
sur les champs de bataille pleins de souvenirs
et les fresques des vielles émotions et des gloires
entourées de peupliers qui baillent toujours, marguerite
ils assistent à la grand-messe de présence
à une époque trop étendue et sans dieux
le visage de l'autre qui écoute et oint
l'ardeur du soleil du chagrin qui brûle
et qui leur dupe à chaque reprise quand
ils échangent leurs manteaux lourds pour leur lit, marguerite
jusqu'à ce qu'à nouveau le café, la bière, jusqu'à ce qu'à nouveau
une cigarette commande le castrat de leur manque
de chanter et détourne l'attention par des chansons
sur la tromperie qu'ils reconnaissent et ont oublié
le printemps dans lequel ils ont eu de la confiance et puis oublié
le pouvoir et le désir qu'ils n'ont jamais connu
ils lèvent les mains pour vêtir le désespoir
lèvent leurs voix pour remplir le dimanche
comme un prêtre décrépit revêtu d'un soutane maculé
leurs ventres ronds épuisés par la vieillesse
qui sentent les tulipes hollandaises
la mort joue à cache-cache, marguerite
ainsi ils marchent en rond comme des chiens errants
chaque jour dans la même peau, plus besoin d'une cravate
et avec une peau en porcelaine
la main dessine, la photo sur la cheminée,
les boutons de la chemise
les paupières du sommeil qui arrive trop tôt
[nl]
margerite
druk kwebbelend aan een tafel bij het raam
beladen met vraagstukken die niet meer bestaan
de twijfels van de wiskunde van de tijd
de tas vol koffie die luistert
naar hun geprevel in deze kathedraal
van wachten, beraadslagen, mediteren twijfelen
de warmte maakt de liefdesverhalen los
en de grijze muziek het hoofd lijzig
in deze voortdurende schipbreuk
op de slagvelden vol herinneringen
en de fresco's van oude emotie en glorie
omgeven door populieren die altijd geeuwen
ze zitten in de hoogmis van aanwezig-zijn
in de tijd die te groot is en zonder goden
het gezicht van de ander dat luistert en zalft
de zonnebrand van het verdriet dat gloeit
en hun te grazen neemt telkens wanneer
ze hun zware jassen ruilen voor hun bed
ze heffen hun handen om de wanhoop te kleden
verheffen hun stem om de zondag te vullen
als een afgeleefde priester in bevlekte soutane
hun bolle buik vermoeid van ouderdom
die geurt naar hollandse tulpen en zeep
de dood speelt verstoppertje en dat is niet leuk
tot weer een koffie, weer een bier, weerom
een sigaret de castraat van hun gemis beveelt
te zingen en de aandacht afleidt met liederen
over bedrog dat ze herkennen en vergaten
de lente die ze vertrouwden en vergaten
de macht en begeerte die ze nooit bezaten
zo lopen ze maar rond als honden die dolen
elke dag in dezelfde huid, een das hoeft niet meer
want men herkent niet degene die verdwijnt
en met porseleinen huid tekent de hand
de foto op de schouw, de knoopjes van het hemd
de oogleden van de slaap die vroeg komt
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› cucurucucu (tekst & muziek: caetano veloso)
dicen que por las noches
no más se le iba en puro llorar
dicen que no comía
no más se le iba en puro tomar
juran que el mismo cielo
se estremecía al oír su llanto
cómo sufrió por ella
y hasta en su muerte la fue llamando
ay, ay, ay, ay, ay cantaba
ay, ay, ay, ay, ay gemía
ay, ay, ay, ay, ay cantaba
de pasión mortal moría
que una paloma triste
muy de mañana le va a cantar
a la casita sola
con sus puertitas de par en par
juran que esa paloma
no es otra cosa más que su alma
que todavía la espera
a que regrese la desdichada
cucurrucucú paloma
cucurrucucú no llores
las piedras jamás, paloma
qué van a saber de amores
[nl]
koekoeroekoe
ze zeggen dat hij de nacht alleen nog maar
huilend doorbracht
ze zeggen dat hij niet at
hij bracht de tijd al drinkende door
ze zweren dat zelfs de hemel
huiverde toen ze van zijn verdriet vernamen
zó leed hij voor haar
en tot zijn dood bleef hij haar roepen:
aï, aï, aï, aï, aï, zong hij
aï, aï, aï, aï, aï, jammerde hij
aï, aï, aï, aï, aï, zong hij
hij stierf aan dodelijke passie
er is een trieste duif
die erg vroeg in de ochtend voor haar zal zingen
voor het eenzame huisje
met al zijn deurtjes open
ze zweren dat die duif
niet meer is dan zijn ziel
die nog steeds wacht
opdat de ongelukkige terugkeert
koekoeroekoe duif,
koekoeroekoe huil niet
wat zullen de stenen
ooit van de liefde weten?
koekoeroekoe, duif, nu huilt hij niet meer om jou
[
vorig nummer |
volgend nummer ]
› les deux frères (chanson comique)
un jour de mai m'y promenant tout près de gand
j'ai rencontré mon beau frère
vêtu de noir, des bottes en cuire
sur sa moto : la plus belle fille de ma vie
nous sommes deux frères amoureux, ma mère
deux beaux garçons et amoureux
un amour fou et plein de coeur, ma mère
plaisir d'amour dure si longtemps à la chaussée d'xl
quelques mois plus tard, j'ai vu mon frère sur une terrasse
à bruxelles la grand' place
buvant des bières, caressant les mains
et les yeux de la plus belle fille de mon coeur
nous sommes deux frères amoureux, ma mère
deux beaux garçons et amoureux
un amour fou et plein de coeur, ma mère
plaisir d'amour dure si longtemps à la chaussée d'xl
adieu belle, écoute-moi
j'ai mal car sans toi ni loi
pourquoi ne peux-tu plus m'aimer
mon coeur pleure, désolé
et toi frère, ne t'emballes pas
l'amour vrai ne s'en va pas
je suis mieux que les flamands
l'amour vrai dure longtemps
l'amour vrai pour ma belle
nous sommes deux frères amoureux, ma mère
deux beaux garçons et amoureux
un amour fou et plein de coeur, ma mère
plaisir d'amour dure si longtemps ma belle
[
vorig nummer ]
› vue de lune
quand demain je ne serais plus là, je te veux auprès de moi
je veux le son de tes yeux et les algues de tes mains
le port dans ta bouche et les cargos qui partent
chargés de souvenirs blancs et de prophéties mouillées
quand demain je dois partir et ne peux plus rester
je veux amener le vent qui rage autour de la maison
les bus qui s'approchent de cette petite ville
je veux les fruits de tes oreilles, les pousses des paroles
oh je veux t'amener et tout revivre en tout
au jardin les plages le vent alizé et les oiseaux
je ne suis que l'esclave de l'amour, je m'incline
pour que rien ne se perde dans le sel de ce monde
pour que je ne disparaisse dans la multitude
pour que je n'aie vécu en vain
quand demain je dois partir à la poursuite de la mort
je porterai une écharpe rouge et j'exhalerai ton parfum
je sécherai tous tes secrets dans des livres et cathédrales
et mon âme trempée de ta peau sentira les oranges
quand je ne serais plus là, je me poserai sur ton épaule
un pourpre coucou, qui peigne tes cheveux et admire ton cou
je me noie dans ton chagrin, conserve mon nom et la poésie
car, quand je dois partir, tout ce qui me reste c'est ton visage
[nl]
maanzicht
wanneer ik er morgen niet meer ben, wil ik je bij me
ik wil het geluid van je ogen en het zeewier uit je handen
de haven in je mond en de vrachtboten die uitvaren
beladen met de witte herinnering en de natte profetieën
wanneer ik morgen moet meegaan en niet kan blijven
wil ik wind meenemen die hier om het huis slaat
de bussen die aanrollen en daveren in deze kleine stad
ik wil de vruchten van je oren, de ranken van woorden
ik wil alles liefhebben, alles meenemen
in de tuinen de stranden de passaat en de vogels
ik ben slechts slaaf van de liefde, ik buig en volg
opdat niks verloren zou gaan in het zout van deze wereld
opdat ik niet verdwijn in de veelheid en drukte
opdat ik niet voor niks geleefd zou hebben
wanneer ik morgen moet meegaan aan de hand van de dood
zal ik een rode sjaal aandoen en jouw parfum verspreiden
ik leg je geheimen te drogen in de boeken en de kathedralen
en m'n ziel doordrongen met je huid geurt naar sinaasappelen
wanneer ik er niet meer ben, zal ik op je schouder zitten
een purperen koekoek die je haren kamt, je hals bewondert
ik verdrink in je verdriet, houd jij m'n naam levend en poëzie
want wanneer ik moet weggaan, blijft me enkel jouw gezicht over